Darmen

Short Bowel Syndroom

Short Bowel Syndroom of kortedarm syndroom is de aandoening die optreedt na het operatief verwijderen van grote delen van de dunne darm (darmresectie). De dunne darm staat in voor het opnemen van voedingsstoffen uit het voedsel. In het geval van short bowel syndroom is de dunne darm dermate kort dat er onvoldoende absorptie kan plaatsvinden (=malabsorptie).

Short bowel syndroome treedt op als er meer dan 1 meter van het jejunum (het middelste deel van de dunne darm) wordt weggenomen.

Het short bowel syndroom kan optreden ten gevolge van chirurgie omwille van de ziekte van Crohn, kanker, aangeboren afwijkingen of schade aan het darmweefsel na afsluiten van de bloedtoevoer (bijvoorbeeld door een volvulus - het om zichzelf draaien van de darm - of mesenteriale ischaemie door een bloedklonter).

Symptomen

Short bowel syndroom leidt tot malnutritie: slechte doorvoeding. Het probleem ligt in dit geval niet in de voeding, maar in de slechte opname van de voedingsstoffen door de darm.

Afhankelijk van de delen darm die werden weggenomen ontstaan tekorten van vitamine B12, vetoplosbare vitaminen (vitamine A, D, E en K) en vetten. Gewichtsverlies treedt vrij snel op en ook buikpijn en vermoeidheid kan voorkomen.

Er kan na verloop van tijd enige verbetering optreden door compensatiemechanismen waarbij andere delen van de darm de taken overnemen van het verwijderde deel.

Diarree treedt op als de galzuren niet terug worden opgenomen (normaal in het ileum, het laatste deel van de dunne darm). Vaak bevat de stoelgang veel vetten en spreekt men van steatorree. Statoree kan erg stinken.

Bij resecties van delen van het colon kan de diarree uitgesproken zijn.

Net na de operatie is er bijna altijd ernstige diarree.

Behandeling

De behandeling van short bowel syndroom net de operatie uit het toedienen van intraveneus vocht via een infuus. De electrolyten (vooral Na+, Ca++ en Mg++) worden goed gemonitord en indien nodig extra toegediend.

Bij massale resecties kan een levenslange parenterale voeding nodig zijn (voeding die niet via de darm gaat, maar via een infuus).

Andere patiënten kunnen geholpen worden door frequente, kleine uitgebalanceerde voedingen, eventueel aangevuld met medicijnen die de beweeglijkheid van de darm verminderen.